Hoe ‘proeft’ een karper?

Hoe ‘proeft’ een karper?

De karper bezit een reeks gespecialiseerde functies die ze in staat stellen om te gedijen in diverse omgevingen. Deze eigenschappen maken ze tot een interessante soort en stelt ze ook in staat om onze haarscherpe rigs keer op keer te ontwijken.

Tot op zekere hoogte kan een karper dezelfde soorten smaken als mensen proeven zoals zoet, zuur of bitter. Vaak worden smaak en geur hier in verward, maar in het algemeen wordt geur gebruikt om voedsel te vinden over langere afstanden, terwijl de smaak wordt gebruikt om voedsel te identificeren van dichtbij. Het proeven vindt plaats om voer te vinden, voordat het voedsel wordt geconsumeerd en terwijl deeltjes worden gesorteerd in de bek.

Net als de mens maakt de karper gebruik van smaakpapillen op voedsel te proeven. De meerderheid van de smaakpapillen bevinden zich op de lippen en baarddraden die worden gebruikt om te beoordelen of er iets eetbaar is voordat er een voedseldeeltje wordt geaccepteerd. Er bevinden zich ook een groot aantal smaakpapillen op het gehemelte in de bek welke helpen bij het sorteren van eetbare en niet-eetbare deeltjes.

De smaakpapillen van een karper meten slechts een paar micrometer in diameter. Ze zien er onder de microscoop uit als bobbels die duidelijk uit de huid van de vis steken​​. Deze zintuigen worden geactiveerd wanneer ze dingen aanraken, bijvoorbeeld wanneer de vis een boilie pakt en hij daarbij besluit of het eetbaar is of niet. De gevoelige smaakpapillen reageren daarbij op chemische stoffen die worden afgegeven door het deeltje zoals bijvoorbeeld aminozuren, suikers of zuren. Wanneer blijkt dat een deeltje eetbaar is wordt dit doorgegeven door het zenuwstelsel van de vis en wordt er een ‘feeding-response’ geactiveerd. Het overgrote deel van de boilies op de markt bevat dan ook meerdere van deze chemische stoffen die vissen aanzetten tot azen en daarmee de vangkans vergroten.

Naast de smaakpapillen in en rond de mond, heeft karper eveneens smaakpapillen verspreid over de borst- en buikvinnen, langs het lichaam en onder de kop. Deze externe sensorische gebieden worden gebruikt voor het opsporen van voedsel zoals bloedwormen, waardoor de karper enorm efficiënt is in het vinden van beschikbaar voedsel in een gebied. Wanneer een karper met behulp van de geur voedsel heeft gevonden gebruiken ze hun vinnen en lichaam om in de bodem te zoeken naar de exacte plaats om het vervolgens te proeven.

Je zult nu hopelijk het belang van kwalitatief goed aas begrijpen, zowel voor de gezondheid van de vis als de vangkans die je zelf hebt. Als jij voor in de winkel het verschil al kon proeven tussen een kant-en-klaar maaltje in pad 2 of een malse biefstuk in gangpad 3, dan wist jij ook wel waar je heen liep toch?!

Delen via: